U staat hier bij het graf van Paulus Adriaan Kleekamp, hoofd van een Apeldoorns gezin dat tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn huis openstelde voor onderduikers en verzetsmensen. Wat begon als een daad van solidariteit en menselijkheid, eindigde in een familietragedie die nog altijd diepe indruk maakt.
Paulus Adriaan werd geboren in 1890 in Amsterdam. Zijn vrouw, Johanna Adriana Wassenaar (1898–1960), kwam uit Katwijk. In december 1930 verhuisde het gezin naar Apeldoorn. Samen kregen zij vijf kinderen. Hun oudste zoon, Paulus Alfred (1919–1933), was organist in de Grote Kerk van Apeldoorn en kwam tragisch om het leven door een ongeval, op slechts dertienjarige leeftijd.
Paulus Adriaan was handelaar in olie en vetten, en runde daarnaast een postzegelhandel. Tijdens de oorlog raakte hij actief betrokken bij het verzet. Zijn huis werd een schuilplaats voor mensen op de vlucht – Joden, verzetsleden, anderen die gevaar liepen. Ook zijn twee zoons, Cornelis Adriaan (1920–1945) en Maarten Conrad (1926–1945), sloten zich aan bij het verzet.
Op 14 november 1944 werd Paulus Adriaan gearresteerd in zijn woning in Apeldoorn. Niet lang daarna werden ook Cornelis en Maarten opgepakt. De drie mannen werden gedeporteerd naar het Duitse concentratiekamp Sandbostel, waar zij alle drie om het leven kwamen. Een vader en twee zonen – vermoord vanwege hun inzet voor de vrijheid van anderen.
Hun moeder, Johanna, bleef als enige gezinslid achter. Op deze plek, waar een letterplaat als herinnering op een leeg graf staat, wordt het gemis tastbaar – maar ook de moed die deze familie heeft getoond.
– Versregel op de grafsteen van de familie Kleekamp
Voor zijn verzetswerk werd Paulus Adriaan Kleekamp postuum onderscheiden met het Kruis van Verdienste, een ereteken voor bijzondere moed en inzet voor het vaderland.

