U staat bij het graf van Dirk van Breenen, een jonge Apeldoorner die de oorlog overleefde – maar niet de nasleep. Dirk was leerling-monteur. Jong, hoopvol, en bezig aan de opbouw van zijn leven. Tot hij werd opgepakt en gedeporteerd naar één van de meest beruchte werkkampen net over de grens: kamp Rees.
In de winter van 1944 werden veel jonge Nederlandse mannen opgepakt tijdens razzia’s. Dirk was één van hen. Hij zat ondergedoken om aan gedwongen arbeid in Duitsland te ontkomen, maar werd in december 1944 ontdekt en meegenomen. De Duitsers stuurden hem naar kamp Rees, vlakbij de Nederlandse grens.
Rees stond bekend om zijn onmenselijke omstandigheden: geen medische zorg, nauwelijks voedsel, ijzige kou, uitputtende dwangarbeid. Het kamp werd geleid door de Organisation Todt, die Nederlanders inzette om tankversperringen aan te leggen en loopgraven te graven.
Dirk werd ziek – zo ziek dat hij niet meer kon werken. In zijn toestand liet men hem gaan, samen met andere zieken. Nederlanders langs de grens ontfermden zich over de uitgemergelde mannen. Ze werden terug naar Nederland gebracht, maar voor velen kwam de hulp te laat. Ook Dirk overleed kort na zijn vrijlating, verzwakt door wat hij had doorstaan.
Dirk was slechts 20 jaar oud toen hij stierf. Hij had een toekomst voor zich als monteur, misschien een gezin, een leven. Maar de oorlog nam hem dat af – niet door kogels of bommen, maar door de langzame uitputting van dwangarbeid en ontbering. Zijn verhaal herinnert ons eraan dat vrijheid soms te laat komt.
Wanneer u verder wandelt, komt u bij het graf van Jan Pater – nog een Apeldoorner die in kamp Rees terechtkwam, en daar stierf tijdens dwangarbeid aan Duitse verdedigingslinies.

