U staat hier bij het graf van Jacob Jan Bieringa, geboren op 6 februari 1911 in Roden. Een man die zich tijdens zijn korte leven inzette voor de veiligheid van anderen – als politieman in Rotterdam én als officier in het Nederlandse leger. Zijn leven eindigde in de allereerste dagen van de oorlog, in mei 1940.
Voordat hij in Apeldoorn kwam wonen, werkte Jacob Jan in de buurt van Rotterdam. Als inspecteur bij de politie stond hij midden in de samenleving. Daarnaast was hij lid van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, een Nederlandse militaire vrijwilligersorganisatie die vóór de Tweede Wereldoorlog bestond en werd ingezet voor de verdediging van het eigen grondgebied.
Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. Jacob Jan voerde op dat moment het commando over de 13e Batterij Luchtdoelartillerie. Deze eenheid was nog maar net in stelling gebracht, in een open weiland bij park ‘Leeuwenbergh’, zo’n anderhalve kilometer ten noorden van vliegveld Ypenburg. Er was nog geen tijd geweest om schuilplaatsen aan te leggen.
In de vroege ochtend van 11 mei liet een Duitse bommenwerper zijn lading vallen boven de batterij. Jacob Jan wist te ontkomen en vertrok met zijn motor om hulp te halen. Zijn plichtsgevoel dreef hem terug naar zijn manschappen. Maar bij zijn terugkomst werd hij gevangengenomen door Duitse parachutisten. Ze sloten hem op in een boerderij in de buurt.
Later die dag werd diezelfde boerderij geraakt door Nederlands artillerievuur. Jacob Jan kwam om het leven door een granaatscherf in zijn bovenlichaam. Hij was 29 jaar oud. Aanvankelijk werd hij begraven op de Oosterbegraafplaats in Voorburg, maar op 7 juni 1940 vond zijn herbegrafenis plaats hier, op de Soerenseweg in Apeldoorn – zijn thuis.
Als u uw weg vervolgt, komt u langs het graf van Johannes Frederik Gerard de Jong – een kapper, een verzetsman, en opnieuw een ander gezicht van moed.

