U staat hier bij het graf van Jan Pater, geboren op 20 november 1898 in Apeldoorn. Hij werkte als lompensorteerder – een alledaags beroep, ver weg van frontlinies of politieke macht. Toch werd ook hij slachtoffer van de nietsontziende machine van de oorlog.
In 1944 werd Jan tijdens een razzia van straat gehaald. Net als honderden andere Apeldoornse mannen werd hij samengedreven op het Marktplein en op transport gezet naar kamp Rees, net over de grens bij Zevenaar.
Rees stond berucht om zijn ontberingen. De Organisation Todt zette gevangenen als Jan in voor dwangarbeid – het graven van tankvallen en het bouwen van verdedigingswerken. Er was nauwelijks eten, geen medische zorg en de kou was genadeloos.
Jan verzwakte snel. Toen hij te ziek was om nog te werken, werd hij simpelweg uit het kamp ontslagen – niet uit menselijkheid, maar omdat hij ‘nutteloos’ was geworden. Hij keerde terug naar Nederland, maar zijn lichaam kon de honger, kou en uitputting niet meer aan. Op 6 november 1944 overleed hij, 45 jaar oud, in Zevenaar.
Het verhaal van Jan is dat van velen zonder wapens of verzetservaring, die pech hadden om op het verkeerde moment te leven. Mensen die slechts probeerden te overleven en daarvoor een onmenselijke prijs betaalden.

